De architecten

Piet Moojen is een tamelijke onbekende in Nederland. Maar dat geldt voor de meeste Indische architecten uit die jaren. Berlage deed er na zijn studiereis naar Indië in 1923 alles aan, om hun werk in Nederland te promoten. Hij prees de kwaliteit, die naar zijn mening gelijkwaardig was aan wat in Nederland gepresteerd werd. Ook Berlage heeft overigens in Indië twee werken achtergelaten, in Surabaya (1900) en Jakarta (1913) die wonderlijk genoeg nog allebei bestaan, weliswaar zeer karakteristiek voor hem maar geen hoogtepunten in zijn oeuvre.

Veel architecten waren aanvankelijk werkzaam voor het Departement van Burgerlijke Openbare Werken (B.O.W.) voordat zij zich later als onafhankelijk en zelfstandig architect vestigden, zoals S. Snuyf en de jong gestorven meester Frans Wiemans, die de architectuur later ingewisseld heeft voor een pianistenloopbaan. Het merkwaardigste werk van Snuyf is zonder meer het raadhuis met watertoren van Palembang.

Henri Maclaine Pont en Charles Wolff Schoemaker waren beide geboren in Indië, studeerden in Nederland en leerden daar de kneepjes van het vak bij Nederlandse bureaus als dat van Michel de Klerk in Amsterdam. Na terugkeer naar Java heeft Maclaine Pont ondermeer de TH van Bandung ontworpen. Hij gaat in Indonesië tegenwoordig door voor de vader van de Indonesische architectuur. Wolff Schoemaker heeft met ruim 30 werken een stevig stempel gedrukt op Bandung. Hoogtepunten zijn het Jaarbeursgebouw, het Preanger Hotel en de Villa Isola maar ook de kantoren van de Nederlands-Indische Handelsbank in Jakarta en Surabaya.

Thomas Karsten was van dezelfde generatie en was naast architect ook stedenbouwkundige, en daarmee de vader van de moderne stedenbouw in Indonesië. Bij veel van de nieuwe stadsgemeenten in Indonesië werd hij ingehuurd om stedebouwkundige plannen te maken. Hij heeft veel in Semarang gebouwd, zoals de kantoren van de Nillmij en de Stoomvaart Mij. Nederland, het bijzondere kantoor van de Zustermaatschappijen en het Sobokartti volkstheater. Hij voelde zich zeer betrokken bij de woonomstandigheden van de Indonesiërs. Karsten, Maclaine Pont en Wolff Schoemaker waren de gangmakers in het debat over eigen Indische bouwstijl.

Eduard Cuypers (“familie van”) had zijn eigen bureau in Amsterdam maar lieerde zich aan Hulswit en aan Fermont in Batavia. Dit bureau in Batavia kan gezien de hoeveelheid verworven opdrachten – het bureau bestond tot 1957 – wel het succesvolste van Indië worden genoemd. De kwaliteit is echter zeer wisselend. Ed. Cuypers stond aan de wieg van de Amsterdamse School. Hij was zelf echter geen vernieuwer maar een adept van het eclecticisme, dat zozeer verfoeid werd door Berlage en Moojen. Het bureau in Batavia heeft kantoren voor de Javasche Bank gebouwd in de gehele archipel. Het eerste in 1909, het hoofdkantoor in Batavia. Het eclectische gebouw werd het voorbeeld voor de overige bankgebouwen van de Javasche Bank. Na de dood van Cuypers veranderde de stijl van de bankgebouwen. Opvallende voorbeelden van de modernere stroming van dit bureau zijn de Javasche Bank in Semarang en de Factorij in Jakarta.

Andere uit de vele vooroorlogse namen zijn Aalbers, Ghijsels, Citroen, Groenewegen, van Hoytema, Lemei en Blankenberg.
Cosman Citroen was werkzaam in Surabaya. In zijn beginjaren bij Klinkhamer en Ouëndag in Nederland had hij als tekenaar meegewerkt aan het ontwerp voor het hoofdkantoor van de Nederlands Indische Spoorwegen in Semarang dat bekend staat als het “Huis met de 1000 deuren”. Het stadhuis van Surabaya, een tropisch Amsterdamse School-voorbeeld, is een van Citroen’s meesterwerken.

Frans Ghijsels stichtte het Algemeen Ingenieurs en Architectenbureau, het AIA. Hij gaf er leiding aan tot 1929. Het AIA is verantwoordelijk voor veel belangrijke bouwwerken als het station Jakarta Kota en het KPM-kantoor in Batavia.

Albert Aalbers vertrok tijdens de grote depressie van Rotterdam naar Bandung en heeft er gewerkt van 1930 tot 1942. Vooral in het bedrijfsleven werd hij een gevierd architect. Hij bouwde in een moderne stijl die zeer afweek van die van zijn beroemde stadgenoot Wolff Schoemaker. Hij zette de toon met de DENIS-bank en later Hotel Savoy Homan, maar heeft ook talrijke woonhuizen gemaakt. Zijn oeuvre behoort tot het Nieuwe Bouwen, aangepast aan de tropische omstandigheden. Beton, glas en staal bleken onder zijn handen wel degelijk geschikt als tropische bouwmaterialen. Groenewegen was vooral werkzaam in Medan.

Sommige architecten zijn beroemd door een gebouw dat zij ontwierpen vanuit hun functie als directeur gemeentewerken. Het raadhuis in Amsterdamse Schoolstijl van Cirebon door J. Jiskoot en het Departement van Gouvernementsbedrijven in Bandung door J. Gerber zijn hiervan mooie voorbeelden. De ontwikkeling van Jiskoot toont zich het best in de vergelijking met een later werk, de burgemeesterswoning van Makassar.

Ook de verschillende spoorwegmaatschappijen lieten zich niet onbetuigd bij de keuze van hun ontwerpers voor de nieuwe generatie moderne stations, zoals Sloth Blauwboer (Semarang), C.W. Koch (Tanjung Priok) en C. Nix (Cilacap).